NN is nog steeds geen Nederlands staatsburger

 Ik ben nn, 72 jaar oud en van Zuid-Molukse afkomst. Mijn vader komt van het eiland Haruku en mijn moeder van het eiland Ambon. Beide eilanden behoren tot de Lease-eilanden. De Lease-eilanden zijn een groep eilanden die tot de Zuid-Molukken behoren en in de Bandazee liggen. 


Mijn beide opa’s hebben vanaf 1926 bij het KNIL (Koninklijk Nederlands- Indisch Leger) gediend en zijn in 1951 noodgedwongen naar Nederland getransporteerd, omdat na de Indonesische Onafhankelijkheid er voor de Molukkers geen plaats was in het nieuwe Indonesië.


Op 10 mei 1951 vertrok mijn moeder met 1800 mensen aan boord met transportschip de Fairsea vanuit Semarang naar Nederland. Ik mocht die reis in haar schoot meemaken. Op 5 juni zette zij voet op de Nederlandse bodem. In een oude kazerne “Coehoorn” in Muiderberg kwam ik op 6 oktober ter wereld.(zie foto)





In het begin van 1951 wordt duidelijk dat de Molukse oud-KNIL militairen alleen nog naar Nederland kunnen worden overgebracht. De Nederlandse regering had ze het liefst in Indonesië achtergelaten, maar dat is door de rechter verboden omdat hun leven daar niet veilig is. Als het eerste schip met oud-KNIL-lers op 20 maart 1951 in Rotterdam aanmeert, is er voor de opvang nog nauwelijks iets georganiseerd. Het grootste probleem betreft de huisvesting van de bij aankomst uit actieve dienst ontslagen soldaten met hun gezinnen: in totaal 12 en een half duizend Molukkers. De woningnood onder de Nederlandse bevolking is nog enorm, waardoor er een noodvoorziening getroffen moet worden. Omdat de meeste Molukkers gewend zijn aan het tangsi-leven, het leven in de voormalige kazernes van het KNIL in Indië, worden allerlei kampen op het laatste moment in gereedheid gebracht voor hun opvang. Het zijn veelal kampen die in de oorlog als concentratiekamp zijn gebruikt, of direct na de oorlog als DUW-kamp voor tewerkgestelde arbeiders. Het is de enige mogelijkheid om de Molukkers tijdelijk te huisvesten. Hoewel er geen oplossing in zicht is, blijft de regering ervan uit gaan dat de ex-soldaten spoedig weer naar hun eigen land zullen terugkeren.

In 1953 verhuisden wij naar Ederveen, een dorpje in de gemeente Ede. Met 16 andere gezinnen woonden we in woonoord/kasteel Bruinhorst. Bijna afgescheiden van de bewoonde wereld met de slotgracht als zichtbare, fysieke grens.(zie foto)



De familie van mijn vader, zowel als van mijn moeder hebben bij hun aankomst geen idee wat hun te wachten staat, behalve dat ook zij verwachten spoedig weer terug te keren. Eten is voorlopig de belangrijkste bezigheid van de Molukkers in de kampen. Werken mogen ze voorlopig niet, omdat de regering bang is dat ze de plaatsen van Nederlanders innemen. De leiding over de kampen berust bij de beheerder, een Nederlander. In woonoord Bruinhorst was dat meneer Van Aalten, die met zijn gezin in het voorste gedeelte van het kasteel woonde. Voor de dagelijkse gang van zaken voert hij overleg met de kampraad, de vertegenwoordiging van de bewoners. Het toezicht over de kampen wordt uitgeoefend door het CAZ, het Commissariaat Ambonezenzorg. Regionale commissarissen bezoeken regelmatig de kampen. Het verschil tussen het leven in de kampen en dat in de omliggende Nederlandse dorpen en steden, is niet alleen het verschil tussen oost en west. Het is ook het verschil tussen het burgerbestaan en dat van de militair. In de kampen wordt het kazerneleven van vroeger zoveel mogelijk nagebootst. In ieder kamp wordt een kampraad gevormd, waarin de hoogste in rang nog steeds de baas is. Dit heeft tot vele conflicten gezorgd. Er zijn oorzaken genoeg aan te wijzen, voor de regelmatig voorkomende conflicten. Slechte behuizing, geen werk en nauwelijks geld. Maar volgens mij is de gaarkeuken de belangrijkste bron van ergernis. Ik kan me nog goed herinneren hoe ik dagelijks met mijn moeder de rantang makanan = voedselmand in de gaarkeuken moest ophalen. Bij de conflicten gaat het niet altijd om de kwaliteit van het eten. Te weinig eten was ook reden om de beheerder aan te pakken. 


Er stonden naast die gigantisch monumentale kasteel op de binnenplaats nog 3 houten barakken, waarin 10 gezinnen in werden gehuisvest. Het kasteel was opgedeeld in 7 kleine woonappartementjes en het grootste en mooiste gedeelte werd bewoond door de Nederlandse beheerder met zijn gezin. De houten barakken waren totaal niet geïsoleerd: je kon letterlijk de buren horen snurken en de ijskoude winters waren letterlijk ijskoud met een simpele kolenkachel om het huis te verwarmen. In de zomer krioelde het van de vlooien en kwam de gemeente regelmatig langs om het hele huis met DDT onder te spuiten.


Naast de heel veel nare herinneringen heb ik ook mooie herinneringen aan 13 jaar kampleven overgehouden. Ik ging in Ederveen in 1956 naar de kleuterschool. Ik sprak geen woord Nederlands en kan me nog goed herinneren, dat ik in mijn broek plaste omdat de juf niet begreep wat ik zei in het Maleis ( aku mau kintjing=ik wil plassen). Alle kindertjes uit het kamp gingen daarna naar de School met de Bijbel van meester Bouterse. Ik ging daar met mijn neefje en nichtje ook naar toe. Uiteindelijk zat ik in de klas van juffrouw van Amersfoort en wat daar gebeurde zal een geweldige impact op mijn leven hebben. Ik kwam thuis en ’s avonds aan tafel vertel ik het verhaal hoe de juf tijdens de schrijfles met een liniaal op mijn rechter schrijfhand tikte om mijn schrijfhouding te corrigeren. Dit deed ze verschillende malen en het deed pijn aan mijn handjes. Toen ik dit verhaal had verteld, werd mijn vader zo kwaad: “we zitten niet in Nederlands Indië, wat denkt ze wel”. De volgende dag werden ik, mijn neefje en mijn nichtje van school gehaald en belandden we op de Julianaschool. Mijn kampvriendjes en kampvriendinnetjes vonden ons maar rare Aborunezen! (De plaats waar onze ouders vandaan komen)


Het is 1960. Ik was inmiddels 9 jaar oud als mijn moeder mij het volgende meedeelt: “Ik heb besloten om de klederdracht van de Molukse vrouw te naaien en de woonoorden langs te gaan om die kleding te verkopen. We maken gebruik van het Openbaar Vervoer en jij mijn zoon moet mijn gids zijn, want ik spreek heel slecht Nederlands en ik ken de kaart van Nederland niet! Ik als 9-jarige ook niet! Ik besloot de hulp van mijn meester “meester Elbertsen” in te roepen. Die hielp mij met de OV-route. Plaatsen als Staphorst, Pikbroek, Rouveen, Ommen, Elburg, Voorst, Echteld, Wehl, Tienray, Blerick, Tungelroy en nog vele plaatsen meer. Plaatsen waar ik nog nooit van gehoord had. In totaal heb ik van de 90 kampen Molukse kampen, in 3 jaar tijd 60 bezocht. Meester Elbertsen is ook één van de weinige Nederlanders geweest, die op huisbezoek kwam bij ons thuis in het kamp. Hij raadde mijn ouders ook aan om te verhuizen en tussen de Nederlanders te gaan wonen.

Mijn ouders volgden zijn raad op! Mijn vader schrijft in 1963 een brief aan burgemeester Plateel en we kregen een jaar later een huis toegewezen in Lunteren.


De laatste gezinnen zijn in 1968 uit woonoord Bruinhorst te Ederveen naar de Molukse wijk in Lunteren vertrokken. De toch enigszins gesloten gemeenschap heeft een eigen kerk en een eigen stichtingsgebouw Ina Ama met een stichting: Ana Upu. (foto)







Na mijn Mulo- en Havo- tijd , heb ik in 1973 met goed gevolg de studie aan de Pedagogische Academie afgerond en ben in Brabant les gaan geven. Naast het lesgeven, heb ik mijn akte voor gymdocent gehaald! Ik verhuis naar de Betuwe, werk daar op een basisschool en geef intensief sportlessen aan verenigingen etc. Ondertussen was ik ook nog getrouwd en ben de trotse vader van 3 kinderen!


In 1994 gebeurt er iets heel bijzonders. Het was vlak voor de 2e kamer verkiezingen. Ik was aan het lesgeven over de politieke partijen en over , hun leiders, toen één van de leerlingen aan mij vroeg op wie ik zou stemmen. Ik antwoordde: “ik mag niet stemmen”. “Waarom mag u niet stemmen?” ‘Omdat ik mijn Nederlanderschap na mijn geboorte niet heb gekregen.” Er was een wet gemaakt, waarin stond dat de 1e generatie Molukse KNIL-lers en de 2e generatie alleen door naturalisatie het Nederlanderschap konden verkrijgen.” En ik vind dat ik daar eigenlijk als 3e generatie gewoon recht op heb en daarom ga ik het never/nooit aanvragen.”

De kinderen uit mijn klas vonden dit zo’n groot onrecht en hebben op de dag van de verkiezingen een protestactie georganiseerd, waarbij ze met spandoeken naar het stembureau zijn gegaan en de burgemeester van de gemeente Elst, burgemeester Van Vliet, hebben kunnen overtuigen van hun actie. Hij is de volgende dag op school gekomen en heeft naast de petities van de kinderen zelf een brief gericht aan de minister van Binnenlandse Zaken: minister De Graaff-Nauta. Het antwoord van de minister was: “Meester Akihary krijgt een Nederlands paspoort, maar we gaan de wet niet voor hem aanpassen. Hij kan via naturalisatie het Nederlanderschap aanvragen”. Ik voelde me zeer vereerd dat mijn klas en de burgemeester het voor mij hadden opgenomen, maar voor mij is het een principe kwestie en heb derhalve niet het Nederlanderschap aangevraagd.


Ik bleef in Herveld werken, maar ben in 2000 naar Ede verhuisd. Nadat ik verscheidene keren in Indonesië was geweest en veel Indonesische en Nederlandse literatuur over de koloniale geschiedenis had bestudeerd, besloot ik de nooit vertelde en onbekende, racistische en extreem gewelddadige geschiedenis van de Nederlandse Overheid met betrekking tot die koloniale overheersing in theatervorm inhoud te geven. Met mijn dochter Eleonora treden we samen op als duo MataHary en proberen op deze manier de geschiedenis van het Molukse Volk c.q. de Molukkers uit onze gemeente Ede te vertellen en te delen. Samen met de gemeente Ede heb ik al verschillende projecten over migratie, samenwerking en het delen van elkaars geschiedenis mogen organiseren.


Eén van de projecten heet: “Hoe leef jij, hoe leef ik?” Het is geweldig om op deze manier de culturen en leefwijze van elkaar te mogen ontdekken.


Verder heb ik zitting in IVE: Indië Vrienden Ede. We organiseren één keer per jaar de “Indische Salon”. Hier krijgt de Indische/Molukse cultuur ruimschoots de aandacht. Een podiumplek wordt gecreëerd voor de eerste tot en met de vierde generatie!


Tot slot:

In deze tijd van veel polarisatie is het goed om te realiseren dat er meer kleuren zijn dan alleen maar zwart of wit. Met het laatste voorbeeld uit mijn eigen leven wil ik dit met u delen. Zoals ik reeds beschreven heb, moet ik een naturalisatie aanvraag doen om mijn Nederlanderschap te verkrijgen, omdat de minister de wet niet wil of kan veranderen. Ik heb me daar uiteindelijk bij neergelegd. ( De brief stamt uit 1994) Ik kreeg echter enige maanden geleden van een Nederlandse tante dit waargebeurde verhaal te horen.” In 1957 ging ik met je oom P. trouwen. Omdat hij stateloos was, werd ik volgens de wet ook stateloos. Mijn Nederlanderschap werd afgenomen, dus ook mijn stemrecht! “ Maar in 1964 werd ik gevraagd naar het gemeentehuis te komen in Culemborg. Ik kreeg te horen dat ik mijn Nederlanderschap terug kreeg! Wat is daar de reden van? “Nou, de overheid heeft de wet aangepast, omdat prinses Irene anders stateloos is. Dat kunnen we onze prinses niet aandoen. Daarom is de wet enigszins aangepast!!!!”


Heeft minister De Graaff Nauta haar huiswerk bewust slecht gemaakt?

Is mijn angst gegrond dat er met 2 maten wordt gemeten? Ben ik in een land met een democratisch bestel overgeleverd aan willekeur en onderscheid?


Maar net zo als in het onderwijs: “Al doende, leert men”

Levend in een democratisch land als Nederland hoop ik dat het recht zal zegevieren en ik ooit mijn stem mag uitbrengen.

 




Geen opmerkingen:

Een reactie posten

 ONDER CONSTRUCTIE